Veranderingen huwelijksvermogensrecht Wijzigingen 2012, Wijzigingen 2012, van belang voor echtgenoten en geregistereerde partners

 

1. Recht op informatie

Echtgenoten zijn verplicht, ook zij die niet in gemeenschap van goederen zijn getrouwd, aan elkaar desgevraagd inlichtingen te verstrekken over het door hen gevoerde bestuur alsmede over de stand van al hun goederen en -schulden. De wetgever acht dit van belang voor het correct uitvoeren van de regeling van de draag- en fourneerplicht ter zake van de kosten van de huishouding, de regeling van zaaksvervanging en vergoedingsvorderingen en de uitvoering van huwelijksvoorwaarden met verrekenbedingen.

 

2. Afschaffing rechterlijke goedkeuring, publicatievoorschriften en beperkte gemeenschappen 


Voor het invoeren of wijzigen van huwelijksvoorwaarden staande huwelijk is geen rechterlijke goedkeuring meer vereist.

In geval van opheffing van de gemeenschap van goederen door de rechter gelden geen formele publicatievoorschriften meer.

De bijzondere gemeenschappen (vruchten en inkomsten; winst en verlies) zijn vervallen.

 

3. Tijdstip ontbinding huwelijksgemeenschap vervroegd

In geval van echtscheiding wordt de gemeenschap van goederen sinds 1 januari 2012 reeds ontbonden op het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding (of het tijdstip van het sluiten van een beëindigingsovereenkomst bij een geregistreerd partnerschap). Alle goederen en schulden die na de ontbinding aan een echtgenoot opkomen vallen daardoor niet meer in de gemeenschap. Een ander gevolg is dat de bestuursregeling eindigt: vanaf het moment van ontbinding komt de bestuursbevoegdheid aan beide echtgenoten gezamenlijk toe, zoals bij een gewone gemeenschap.

Ten einde derden te beschermen tegen verrassingen in dezen kan de ontbinding in dit soort gevallen aan onkundige derden alleen worden tegengeworpen, indien het desbetreffende verzoek, dan wel de overeenkomst tot minnelijke ontbinding (geregistreerd partnerschap), is ingeschreven was in het huwelijksgoederenregister.

 

4. Zaaksvervanging privégoederen geregeld

Als een echtgenoot, die in gemeenschap van goederen is getrouwd, een goed verkrijgt en de daarvoor verschuldigde tegenprestatie bij de verkrijging voor meer dan de helft ten laste komt van zijn of haar privévermogen, is dat goed 100% privégoed. Komt meer dan de helft ten laste komt van de gemeenschap van goederen, dan is dat goed voor 100% gemeenschapsgoed. Met de woorden ‘bij de verkrijging’ wordt tot uitdrukking gebracht dat het moment van de verkrijging beslissend is voor het antwoord op de vraag of het goed al dan niet in de gemeenschap valt.

Voorbeeld 1. 
Echtgenoot A, gehuwd in gemeenschap van goederen met echtgenoot B, verkrijgt krachtens erfrecht een onroerende zaak, die voor A privévermogen vormt als gevolg van de door de erflater gemaakte uitsluitingsclausule. A verkoopt deze onroerende zaak en investeert de opbrengst (300.000) in een door A aangekocht huis (koopsom 500.000). Het verschil (200.000) wordt door A gefinancierd met een hypothecaire geldlening. Omdat de tegenprestatie voor meer dan de helft uit privémiddelen wordt voldaan treedt hier zaaksvervanging op: het huis is volledig privévermogen van A (en valt dus niet in de gemeenschap van goederen). De hypothecaire schuld valt evenmin in de gemeenschap van goederen. 

Hoe zou het zijn geweest, als het verschil van 200.000 van B (privé) afkomstig was geweest? In dat geval zou B krachtens de wet een vergoedingsvordering op A hebben gehad (2/5 van de waarde van het huis ten tijde van de voldoening van de vergoedingsvordering). En als het verschil uit de gemeenschap van goederen afkomstig zou zijn geweest, dan zou ‘de gemeenschap’ op A een dergelijke vordering hebben gehad (récompense).

Voorbeeld 2. 
Hetzelfde voorbeeld als boven, maar nu beloopt de investering van A geen 300.000, maar 200.000. Gevolg: het door A aangekochte huis valt in de gemeenschap van goederen. A heeft een vordering op de gemeenschap ten belope van 2/5 van de waarde van het huis ten tijde van de voldoening (reprise). 

5. Wat omvat de gemeenschap van goederen? 


De gemeenschap omvat, behoudens na te melden uitzonderingen, in beginsel alle baten en schulden van de echtgenoten die bij de aanvang van de gemeenschap aanwezig zijn en die welke nadien, zolang de gemeenschap niet is ontbonden, worden verkregen.

 

Wat betreft de baten zijn van deze boedelmenging onder meer uitgezonderd:

  • goederen ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking van de erflater of bij de gift is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen (uitsluitingsclausule);
  • pensioenrechten waarop de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding van toepassing is alsmede met die pensioenrechten verband houdende rechten op nabestaandenpensioen;
  • vruchten van goederen die niet in de gemeenschap vallen, vallen evenmin in de gemeenschap.

Goederen en schulden die aan een der echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, vallen slechts in de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet.

 

Wat betreft de schulden zijn uitgezonderd van boedelmenging:

a. schulden betreffende van de gemeenschap uitgezonderde goederen (privégoederen); en

b. schulden uit rechtshandelingen ‘terzake des doods’.

 

6. Nieuwe bestuursregeling gemeenschap van goederen.

Sinds 1 januari 2012 geldt een nieuwe regeling voor het bestuur over goederen die behoren tot een gemeenschap van goederen. In principe staat een goed onder bestuur van elk van beide echtgenoten afzonderlijk (er zijn dus twee kapiteins op het schip), tenzij

a. het goed op naam van een of beide echtgenoten staat of

b. het goed krachtens erfrecht of gift is verkregen.

In deze laatste gevallen staat het gemeenschapsgoed in beginsel onder het exclusieve bestuur van de verkrijgende echtgenoot.

Staat een goed op naam van beide echtgenoten, dan zijn zij slechts tezamen bestuursbevoegd. Mocht een van de echtgenoten door afwezigheid of een andere oorzaak in de onmogelijkheid verkeren het bestuur mede uit te oefenen, dan kan de andere echtgenoot de kantonrechter verzoeken hem het bestuur op te dragen.

Wat betreft de term ‘goed op naam’ moet, blijkens de voorbeelden in de parlementaire geschiedenis, worden gedacht aan registergoederen (onroerende zaken, teboekgestelde schepen en luchtvaartuigen, beperkte rechten daarop en aandelen daarin) alsmede bankrekeningen. Een auto is volgens de staatssecretaris geen goed op naam.

Als een gemeenschapsgoed dienstbaar wordt gemaakt aan een beroep of bedrijf van de ene echtgenoot (A) met toestemming van de andere echtgenoot (B), onder wiens (mede)bestuur dat goed tevoren stond, dan staat dat goed in het vervolg onder het exclusieve bestuur van echtgenoot A (B verliest dus de bestuursmacht in dat geval), voorzover het handelingen betreft die als normale uitoefening van dat beroep of bedrijf zijn te beschouwen.

Aan de echtgenoot die het bestuur heeft over een gemeenschapsgoed komt de exclusieve bevoegdheid toe tot beschikking over dat goed (vervreemding en bezwaring) en tot beheer van dat goed (handelingen die voor de normale exploitatie van het goed dienstig kunnen zijn, waaronder in ieder geval vallen handelingen die zijn aangewezen in het kader van het behoud en het onderhoud van het goed). De bestuursbevoegdheid omvat mede de bevoegdheid om ten aanzien van dat goed feitelijke handelingen te verrichten en toe te laten. Uiteraard hebben beide echtgenoten bevoegdheden tot genot en gebruik overeenkomstig hun huwelijksverhouding.

 

7. Beperking aansprakelijkheid voor schulden van de andere echtgenoot bij ontbinding gemeenschap

Na ontbinding van de huwelijksgemeenschap is de andere echtgenoot nog wel mede-aansprakelijk voor gemeenschapsschulden die waren aangegaan door de ene echtgenoot, maar die aansprakelijkheid is beperkt tot hetgeen door hem of haar wordt verkregen uit hoofde van verdeling van de gemeenschap. Een belangrijk voordeel voor deze echtgenoot (en een nadeel voor gemeenschapsschuldeisers) is dat derdenbeslag onder de werkgever van de aansprakelijk geworden echtgenoot niet meer aan de orde kan zijn. Dat salaris wordt immers niet verkregen uit hoofde van verdeling van de ontbonden gemeenschap.

Voorbeeld 
A , gehuwd in gemeenschap van goederen met B, sluit zonder medewerking van B een persoonlijke lening af met C (25.000). De hieruit voortvloeiende schuld valt in de huwelijksgemeenschap. Na ontbinding van de gemeenschap kan C zich verhalen op: 
a. de goederen van de ontbonden gemeenschap (zolang geen verdeling heeft plaatsgevonden); 
b. het privévermogen van A (die de schuld was aangegaan), en 
c. het privévermogen van B, maar alleen voor zover dit afkomstig is uit de ontbonden huwelijksgemeenschap (krachtens verdeling). 


 

8. Regeling vergoedingsschulden en -vorderingen terzake investeringen in privégoederen van de ander.

Als echtgenoten buiten gemeenschap van goederen zijn gehuwd en de ene echtgenoot betaalt mee aan de aankoop of verbetering van een goed dat volledig privéeigendom van de andere echtgenoot wordt, ontstaat voor die andere echtgenoot een vergoedingsschuld aan de ene echtgenoot verplicht. De hoogte van die schuld is in principe gelijk aan de waarde van de investering (beleggingsleer). van toepassing is. De meebetalende echtgenoot deelt dan mee in de waardeontwikkeling (stijging en daling, behoudens in het uitzonderingsgeval dat hij of zij geen toestemming had verleend), naar rato van zijn of haar investering ten opzichte van de totale investering van beide echtgenoten. De hoogte van de vergoedingsschulden en -vordering kan in dat geval dus fluctueren.

 

Voorbeelden (ontleend aan de MvA)


Voorbeeld 1 (meebetalen bij de aanschaf van een woning) 
A koopt een woning voor 400 000 euro en betaalt hiervan 300 000 euro uiteigen privé-middelen en 100 000 euro uit door zijn echtgenoot B beschikbaar gestelde privé-middelen. De woning wordt eigendom van A. De andere echtgenoot (B) heeft recht op een vergoeding, die gelijk is aan een kwart van de waarde van de woning op het tijdstip waartegen de vergoedingsvordering wordt afgerekend. Indien A na tien jaar overgaat tot vergoeding en de waarde van de woning dan 1 miljoen euro bedraagt, is de vergoeding voor B 250 000 euro. Indien A echter al na twee jaar tot voldoening was overgegaan en de waarde van de woning toen gedaald was tot 200 000 euro, had B slechts recht op 50 000 euro vergoeding. 



Voorbeeld 2 (verbouwing en verbetering) 
Echtgenoot A heeft een huis in eigendom met een waarde van 500 000 euro. Het huis wordt verbouwd voor 100 000 euro. De aannemer wordt voldaan uit privé-middelen van de andere echtgenoot (B). Op het tijdstip dat tot vergoeding wordt overgegaan, is de waarde van het huis gestegen tot 1 miljoen euro. De vergoeding voor B beloopt dan ingevolge (naar evenredigheid van de wederzijdse investeringen van de echtgenoten) één zesde deel van 1 miljoen euro, derhalve 167 000 euro. 

De regeling van vergoedingsschulden en -vorderingen geldt niet voor situaties van vóór 2012 (daarop blijft het oude recht van toepassing).

Bel mij terug s.v.p.

Vul hieronder uw gegevens in om terug gebeld te worden. Vermeld, indien van toepassing, het door u gewenste tijdstip in.

Bel mij terug

© Janssen & van Commenée Alle rechten voorbehouden.