Mevrouw A en mevrouw B zijn sinds 2005 elkaars geregistreerde partners.  In verband met hun kinderwens hebben A en B een advertentie geplaatst om in contact te komen met een spermadonor. Een en ander heeft geleid tot de geboorte van zoon Z uit moeder A (biologische moeder). B heeft  vervolgens K geadopteerd (adoptiemoeder). Vanaf de geboorte van het kind tot en met juni 2009 is er tussen hem en zijn biologische vader (de man) gemiddeld een keer per maand omgang geweest gedurende gemiddeld drie uur per keer.  Na juni 2009 is het contact verminderd en in januari 2010 is het gestopt. Eind 2010 is tussen de man, die een procedure was begonnen, en de moeders een vaststellingsovereenkomst gesloten waarbij een omgangsregeling voor de jaren 2011 en 2012 is overeengekomen. Ingevolge die overeenkomst heeft tot februari 2013 een keer per twee maanden omgang plaatsgevonden tussen het kind en zijn biologische vader, steeds gedurende gemiddeld tweeënhalf uur. Eind februari 2013 hebben de moeders het contact tussen de man en het kind wederom verbroken, waarna de man wederom aan de rechter heeft verzocht een omgangsregeling vast te stellen.

Die regeling is uiteindelijk door het Gerechtshof vastgesteld. De rechter bepaalde dat de man en het kind minimaal eenmaal per jaar omgang met elkaar zullen hebben binnen een week na de verjaardag van het kind (30 april), waarbij het eerste contact zal plaatsvinden in mei 2016. Opmerkelijk is dat de rechter daarbij ook bepaalde dat de moeders het kind voor 30 april 2016 statusvoorlichting moeten geven (waarmee het hof doelt op voorlichting over de afstamming van het kind).

 

De Hoge Raad heeft de beslissing van het Hof, waar de moeders het niet mee eens waren, bekrachtigd.

 

Hieronder volgt de letterlijke tekst van een relevante passage uit het arrest van de Hoge Raad (HR 16 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:452).

 

 

5.1.2

Ingevolge art. 8 EVRM en art. 1:377a lid 1 BW hebben het kind en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat recht op omgang met elkaar. Bij gebreke van zodanige betrekking vloeit hetzelfde voort uit het eveneens in art. 8 EVRM gewaarborgde recht op private life (zie onder meer EHRM 21 december 2010, 20578/07, NJ 2011/508).

 

5.1.3

Uit het recht op private life, in het bijzonder het recht op persoonlijke identiteit, vloeit eveneens voort dat een kind het recht heeft te weten van wie het afstamt (EHRM 20 december 2007, 23890/02, EHRC 2008/34). Dat recht is tevens gewaarborgd in de art. 7 en 8 IVRK.

 

5.1.4

Art. 1:247 lid 1 BW bepaalt dat het ouderlijk gezag de plicht en het recht van de ouder omvat zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden. Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het minderjarig kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid (lid 2).

Tot de zorg en verantwoordelijkheid voor het geestelijk welzijn en de persoonlijke ontwikkeling van het kind behoort het geven van informatie over zijn afstamming (‘statusvoorlichting’). Het is daarom aan de ouder die het gezag uitoefent om het kind die informatie te geven. In beginsel is het aan deze ouder voorbehouden het daartoe geschikte moment te bepalen. Daarbij dient evenwel het belang van het kind voorop te staan. Ouderlijk gezag is immers weliswaar een aan de ouders toekomend ‘recht’, maar dit recht is gegeven in het belang van het kind en kan daarom niet los worden gezien van de verplichting dat belang te dienen (HR 25 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2714, NJ 1999/379).

 

5.1.5

In een geval als het onderhavige, waarin het kind is verwekt met zaad van een (aan de ouders bekende) donor die niet het gezag over hem uitoefent, kan het belang van het kind met het oog op effectuering van het recht op omgang met zijn biologische vader meebrengen dat het kind te horen krijgt dat degene met wie het omgang zal hebben zijn vader is. Indien de rechter van oordeel is dat een zodanig geval zich voordoet, kan hij bepalen dat het

kind voorafgaand aan een volgend moment van omgang statusvoorlichting zal krijgen. In zoverre prevaleert in dat geval het rechterlijk oordeel omtrent hetgeen het belang van het kind bij het kennen van zijn afstamming met het oog op de omgang meebrengt, boven het recht van de ouders te bepalen op welk moment het kind die informatie zal krijgen.

 

5.1.6

Door een omgangsregeling met ingang van mei 2016 vast te stellen en tevens te bepalen dat de moeders het kind voor 30 april 2016 statusvoorlichting zullen geven, heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat het belang van het kind meebrengt dat de ouders hem, voordat omgang daadwerkelijk plaatsvindt, vertellen dat de man zijn biologische vader is. Dat oordeel geeft, gelet op hetgeen hiervoor in 5.1.2-5.1.5 is overwogen, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het onderdeel faalt derhalve.

Copyright 2020 Janssen & Van Commenée Notarissen - Heemskerk - Powered by SWAT